Geloofsbrief
Opmerking vooraf
De geloofsbrief van de Werkgroep Kerk en Dier is gebaseerd op de Bijbel.
Dat houdt ook in dat wij gebruikmaken van de bijbelse voorstellingen (die bijvoorbeeld
in Genesis te vinden zijn over de schepping) zonder dat wij ons
daarmee willen uitspreken over welke visie dan ook op historiciteit, letterlijkheid
enzovoort. De redenen daarvoor zijn:
dat naar onze overtuiging de geloofsuitgangspunten in
de bijbelse voorstellingen goed te onderkennen zijn.
dat deze voorstellingen aan iedere christen bekend (kunnen) zijn.
De gedeelten tussen enkele aanhalingstekens zijn overgenomen uit de informatiekrant van
de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren over de bio-industrie of uit het
blad 'Dier' van dezelfde vereniging).
De verhouding God-mens-dier in de Bijbel
Wat kunnen we uit de Bijbel leren over de verhouding tussen God, mens en dier? Kunnen
we richtlijnen vinden voor onze omgang met dieren, met name dieren in onze mensenmaatschappij?
Laten we kijken wat het Oude Testament en het Nieuwe Testament zeggen.
Oude Testament
Genesis vertelt in het eerste scheppingsverhaal dat God alles schiep, de planten, de
bomen en de dieren, alle 'naar hun aard' en dat hij zag dat het goed was. De Bijbel
spreekt dan ook van de heerlijkheid van God in de schepping (Ps. 57:6,12; 72:19; 104:31; 108:6;
Jes. 6:3). De mens schiep Hij naar Zijn beeld, als zijn gelijkenis, met de bedoeling dat
deze zou heersen over de hele aarde en over alle dieren (Gen. 1:26-28). In het tweede
scheppingsverhaal is sprake van de Hof van Eden, die de mens moet bewerken en bewaren.
In dit tweede verhaal is Adam, geformeerd van 'stof uit de aardbodem', eerst alleen in
de hof. In Genesis 2:18-20 lezen we: 'en de Here God zeide: "Het is niet goed dat de mens
alleen zij. Ik zal hem een hulp maken die bij hem past". En de Here God formeerde uit de
aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot
de mens om te zien hoe deze het noemen zou. En de mens gaf namen aan al het vee, aan het
gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp
die bij hem paste.' En dàn pas bouwt God een rib van Adam tot een vrouw. In Genesis 1:29-30
wordt verder gezegd: 'En God zeide: "Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele
aarde en al het geboomte waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen.
Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde
kruipt, waarin leven is (geef Ik) al het groene kruid tot spijze"; en het was alzo'.
We zien in deze scheppingsverhalen dat de mens God vertegenwoordigt op de aarde.
De dieren zijn geschapen 'naar hun aard'. Hoewel zij dus niet naar Gods beeld en
gelijkenis geschapen zijn, acht de schrijver van Genesis het toch mogelijk dat Adam onder hen een hulp
zou vinden die bij hem pastte. Dat betekent dat er tussen de mens en de dieren grote
overeenkomsten bestaan. Vlees wordt niet als voeding voor de mens genoemd. Het wordt
dus niet als onontbeerlijk beschouwt.
Zondvloed en Noachitisch Verbond
Na de scheppingsverhalen volgt de verdrijving uit de Hof van Eden, Genesis 3:23.
'Toen zond de Here God hem (Adam) weg uit de Hof van Eden om de aardbodem te
bewerken waaruit hij genomen was.' Landbouw, veeteelt, techniek ontwikkelen zich.
Vele langlevende generaties gaan voorbij en de samenleving verloedert zozeer dat
God de mensheid en mèt haar de dieren wil verdelgen. Hieruit blijkt de lotsverbondenheid
van mens en dier. Alleen Noach en de zijnen en één (onreine dieren) of meer (reine dieren)
paartjes van de verschillende diersoorten overleven de zondvloed. Noach brengt God
een brandoffer van alle reine diersoorten. God besluit dan de aarde niet meer wegens
de onverbeterlijke slechtheid van de mensen te vervloeken. Hij zegent Noach en zijn
gezin en dan volgen enige ingrijpende veranderingen. In Genesis 9:2-3 lezen wij:
'En de vrees en de schrik voor u zij over al het gedierte der aarde en al het gevogelte
des hemels, al wat zich op de aardbodem roert en alle vissen der zee; in uw hand zijn
zij gegeven. Alles wat zich roert, wat leeft, zal u tot spijze zijn; Ik heb u alles
gegeven evenals het groene kruid.'
Van een vreedzaam samenleven van mensen en dieren (een beeld dat opgeroepen wordt door
de in Genesis 1 aan de mens gegeven plantaardige voeding en de vertrouwelijke omgang
van Adam met de dieren in Genesis 2) is na de catastrofe van de zondvloed geen sprake meer.
Dat God Zijn verbond, 'dat voortaan niets dat leeft meer door de wateren van de zondvloed
zal worden uitgeroeid' (Gen. 9:11) sluit met mens èn dier (Gen. 9:9-10), wijst weer op de
lotsverbondenheid van mens en dier. Zo ontstaat na de zondvloed de situatie die we verder
in de Bijbel tegenkomen: de voor de mens gevaarlijke dieren worden bestreden en/of gedood
en de nuttige dieren worden gebruikt en hun vlees wordt eventueel gegeten (voor zover ze
'rein' zijn). Het verbod op het eten van bloed berust op de gedachte dat de ziel in het
bloed woont, zowel bij mens als dier.
Op dit punt willen wij een kleine zijsprong maken naar joodse gedachten over dit
onderwerp, zoals die beschreven werden in een artikel van drs. H.J. Huijser in het
kerkelijk opinieblad 'Centraal Weekblad' van 29 september 1995. Hij schrijft:
'Maimonides (…), de middeleeuwse joodse geleerde en arts, (…) beweert dat dierenoffers (…)
een aanpassing van God waren. Een manier om afgodendienst tegen te gaan. De mens begon als
vegetariër. Aan Adam en Eva wordt slechts plantaardig voedsel gegeven. Deze tekst in de Bijbel,
die een heel grote invloed in de joods bijbelse traditie heeft, maakt duidelijk, dat in
de joodse gemeenschap het gevoel leefde en leeft: het eten van dieren is verre van
ideaal. Na de zondvloed, na die hele wereld van geweld, na al die doden, past God
zich aan bij de geschonden gevoelens van de mensen en geeft hun ook de dieren te eten.
En via de dierenoffers, die mensen verwijzen naar het dierlijke bij henzelf, wordt
een mogelijkheid gegeven het leven te herstellen en te onderhouden.'
Hierbij aansluitend kunnen we wijzen op de vele plaatsen waar mens en dier in één
adem genoemd worden als het gaat om religieuze voorschriften of de gevolgen van
Gods straf en Gods zegen:
Exodus: 8:17,18; 9:9,10,22,25; 11:7; 12:12; 13:2; 19:13
Leviticus: 7:21
Numeri: 3:13; 8:17; 18:15
Psalmen: 36:7; 135:8
Jeremia: 7:20; 21:6; 31:27,28; 32:43; 33:10,12; 36:29; 50:3; 51:62
Sefanja: 1:3
Haggai: 1:11
Prediker 3:18-21 spreekt zich zeer duidelijk uit over de lotsverbondenheid.
Salomo meent dat God de mensen wil laten zien dat ze niet méér zijn dan de
dieren en vraagt zich af of er na het sterven wel verschil is tussen mens en dier.
God en de dieren
Er zijn in het Oude Testament niet veel voorschriften van of namens God te
vinden over de manier waarop de mens dieren moet behandelen. De mens is immers volgens
het scheppingsverhaal geschapen om over de dieren te heersen. Omdat de verhouding tussen
mens en dier echter na de zondvloed niet meer zo vertrouwelijk is als tussen Adam
respectievelijk Noach en de dieren, wil God blijkbaar de dieren niet helemaal aan
de willekeur van de mens overlaten. Zo wordt in Exodus 20:10 en Deuteronomium 5:14
de sabbatsrust uitdrukkelijk ook voor de werkdieren voorgeschreven en wordt in
Deuteronomium 25:4 verboden een dorsende os te muilkorven (dat deed de boer opdat
het dier onder het dorsen niet van het graan kon eten). In Deuteronomium 22:6,7 worden
vogels tegen te vergaande bruutheid beschermd: wie een nest uithaalt, moet de moedervogel
ongemoeid laten. Leviticus 25:3-7 schrijft voor dat ieder 7e jaar de akkers niet bezaaid
mogen worden: 'De sabbatsopbrengst van het land zal u tot voedsel zijn: u en uw slaaf
en slavin, uw dagloner en uw bijwoner, die bij u vertoeven. Ook voor uw vee en voor het
gedierte dat in uw land is zal de gehele opbrengst daarvan tot voedsel zijn'.
Verschillende uitspraken, verhalen en gelijkenissen in de Bijbel laten zien dat
de auteurs zich van Gods interesse in en zorg voor de dieren bewust zijn. Wij
noemen het verhaal over Bileams ezel in Numeri 22:22-33, met name vers 33,
waarin de engel zegt dat hij eventueel Bileam gedood maar zijn ezelin gespaard zou hebben.
Psalm 36:7 ('Mens en dier verlost Gij, Heer'), Psalm 84:4 (Gods altaren zijn een
nestelplaats voor mus en zwaluw), Psalm 104:10-14, 26-30 (lofzang op de voorzieningen
die God in de natuur heeft getroffen voor de dieren, Joël 2:22, waar niet alleen
het volk wegens bekering en boetedoening door God weer begenadigd wordt, maar ook de
dieren apart worden toegesproken en getroost, Jona 4:11 (Nineve wordt gespaard,
óók ter wille van de vele dieren in de stad).
De mens en de dieren
Blijken van liefde en verantwoordelijkheidsbesef voor dieren bij mensen ontbreken
niet. We denken aan de gelijkenis die Nathan aan David vertelt in verband met
diens overspel met Bathseba (II Samuël 12:1-6), waaruit blijkt dat een innige
verhouding tussen een mens en een huisdier niets ongewoons was, en aan Spreuken
12:10: 'De rechtvaardige weet wat toekomt aan zijn vee'.
De herdergelijkenissen
Hier moeten we ook wijzen op de talrijke verhalen en gelijkenissen over herders en
hun schapen. Steeds weer wordt er nadrukkelijk op gewezen dat de herder zich helemaal
moet inzetten voor zijn schapen, hij moet voor goede weidegrond zorgen, zieke dieren
verzorgen, verloren dieren opzoeken en zijn kudde beschermen tegen wilde dieren.
Natuurlijk is er sprake van welbegrepen eigenbelang bij de herder/bezitter van de
schapen, maar hij heeft óók duidelijk een relatie met zijn dieren. Via de
herdergelijkenissen komen we bij het Nieuwe Testament.
Het Nieuwe Testament
De relatie van de herder/eigenaar met zijn schapen is de kern van de herdergelijkenissen
van Jezus: de gelijkenis over het verloren schaap (Matth. 18:12-14, Lukas 15:4-7) en
vooral die over de Goede Herder in Johannes 10. Jezus wijst ook op Gods zorg en aandacht
voor dieren: Mattheüs 6:26 en 10:29, Lukas 12:6 en 24. We vinden echter geen enkele
aanwijzing voor de manier waarop mensen met dieren moeten omgaan. Jezus gaat uit van
de bestaande toestanden (bijvoorbeeld het vangen van mussen voor consumptiedoeleinden,
vergelijk ook wat Hij zegt over de honden in Mattheüs 15:26 en het antwoord van de vrouw
in vers 27, zoals Hij ook uitgaat van het bestaan van slavernij en van de feitelijkheid
van de Romeinse bezetting. Op die bestaande toestand wordt geen kritiek geleverd.
Het gaat Jezus om het hart, het innerlijk waaruit de handelingen voortkomen. Wie Jezus'
geboden in acht neemt, gedraagt zich anders dan wie zich daaraan niets gelegen laat
liggen (zie Mathheüs 15:19).
Illustratief is wat een Zwitserse christen, lid van een 'vrije' groepering, eens zei:
"Als een boer zich bekeert, merk je dat aan twee dingen: hij vloekt niet meer en hij slaat
zijn koeien niet meer". Een andere uispraak: "Als een boer christen is, moeten zijn
dieren dat merken" (een moderne variant op Spreuken 10:12: 'De rechtvaardige weet wat
toekomt aan zijn vee').
Bij de schrijvers van de brieven vinden we niet, zoals bij Jezus, verwijzingen naar Gods
zorg voor de dieren. Hier komt alleen de mens aan de orde. Paulus gaat zelfs zò ver dat
hij Gods volslagen onverschilligheid ten opzichte van dieren veronderstelt: het
oudtestamentische verbod om dorsende ossen te muilkorven betrekt hij op het recht van de
apostelen om door de gemeente te worden onderhouden (I Korinthiërs 9:9 en I Timotheüs 5:18),
waaraan hij in I Korinthiërs 9:9 toevoegt: 'Bemoeit God Zich soms met de ossen?'.
Dit soort extreem antropocentrische bijbeluitleg bij een zo gezaghebbend schrijver zal
zeker bijgedragen hebben tot de hoogmoedige en onbarmhartige opvatting dat de dieren er
zijn voor de mens en dat hij met ze kan doen wat hij wil.
We hebben gezien dat het Oude Testament hier anders over denkt. Ook Jezus' uitspraken
geven geen enkele aanleiding voor deze opvatting, zoals überhaupt de joden diervriendelijker
dachten en denken dan vele christenen in het algemeen deden en vaak nog doen. In dit
verband willen wij nog een opmerking aanhalen van Drs. Huijser in het al genoemde artikel:
"In een eeuw waarin joden op een ongekende wijze slachtoffer zijn geworden van geweld,
voelen sommigen zo'n sterke afkeer van bloedvergieten, dat ook dieren in die afkeer worden
betrokken. De kwestie is of wij samen met de dieren willen overleven."
Opvallend is hierin voor ons weer de in het Oude Testament zo vaak voorkomende
lotsverbondenheid van mens en dier.
Samenvatting
God heeft het dierlijk leven gewild en gezegend. Als deel van de schepping
getuigt het van Zijn heerlijkheid.
God schiep de dieren 'naar hun aard', dus met een aangeboren levens- en gedragspatroon.
God gaf de naar Zijn beeld, als Zijn gelijkenis geschapen mensen de heerschappij
over de gehele aarde en alle dieren, dat wil zeggen dat de mens Hem vertegenwoordigt
en dus aan Hem verantwoording verschuldigd is, maar ook grote vrijheid van handelen heeft.
Er zijn grote overeenkomsten tussen mensen en dieren, zowel negatief als positief.
Er is een sterke lotsverbondenheid tussen mensen en dieren, zowel negatief als positief.
God heeft de heerschappij van de mens soms door geboden ingeperkt.
De mensen in het Oude Testament stonden dichtbij hun dieren, hadden besef
van Gods interesse in dieren en van Zijn eigendomsrechten op al het geschapene.
Er blijkt een besef van de verantwoordelijkheid voor een goede verzorging van dieren.
De bio-industrie
Dit is een ander woord voor 'intensieve veehouderij'. Het geeft exact weer waarom het hier
gaat: industriële verwerking van levende wezens (bio - van Grieks bios = leven) met als
resultaat vlees-'productie', eier-'productie' enz. De beide uitdrukkingen laten aan
duidelijkheid niets te wensen over. In de bio-industrie is geen sprake meer van een
relatie tussen mens en dier. Daar is het dier een 'ding' geworden, dat door
eenzijdige selectiemethoden op productie-kenmerken zo bewerkt is dat de gewenste
eindproducten tot stand komen. Het principe is: zoveel mogelijk dieren op een zo klein
mogelijke oppervlakte in zo kort mogelijke tijd met zo min mogelijk kosten zoveel
mogelijk (vlees, eieren, bontvelletjes enz.) laten opbrengen.Wat dat betekent
zullen we illustreren aan enkele van de bekendste soorten 'consumptiedieren':
varkens, kippen en kalveren.
Varkens - fokzeugen
Een zeug wordt voor het eerst bevrucht door middel van een kunstmatige inseminatie als
ze ongeveer 8 maanden oud is. Enkele dagen of weken na de geboorte van de biggen
probeert de boer de zeug opnieuw te laten bevruchten. Lukt dat niet snel genoeg dan krijgt
ze hormonen toegediend. Dit gaat vijf keer zo, in twee jaar tijd. Dan gaat de
vruchtbaarheid van de zeug achteruit en wordt ze afgedankt om in de worst te eindigen.
De helft van de zeugen haalt de vijf keer niet eens en sterft voortijdig. Het hok waarin
de zeug leeft is zo klein dat ze zich niet kan omdraaien. Het is haar onmogelijk om zich
te verzorgen door likken, schuren of een modderbad te nemen. Normaal gesproken is een
zeug wel twaalf uur bezig om een nest te bouwen voordat ze gaat bevallen. Ingeklemd
tussen de stalen dranghekken, tot voor kort (zéér recent!) met een ketting van 50 cm aan
de betonvloer geketend, zonder stro om in te liggen, is dat onmogelijk. De van nature
zeer zindelijke zeug wordt gedwongen in haar eigen uitwerpselen te liggen en te wachten.
'Door het gebrek aan beweging kunnen de spieren zich niet goed ontwikkelen en de
gewrichten slijten snel door het langdurig liggen op de harde betonvloer. Ze gaan steeds
dezelfde zinloze bewegingen herhalen, bv. kauwen op een ijzeren stang. Hierdoor komt in
de hersenen een stof vrij die als een soort drug werkt, waarmee de zeug zichzelf verdooft
om (de pijn en) de werkelijkheid te ontvluchten.' Gelukkig is er nu een ontwikkeling
gaande dat, zij het nog op kleine schaal, zeugen in groepshuisvesting worden gehouden.
Mestvarkens
'De mannetjesbiggen worden zonder verdoving gecastreerd en van alle biggen worden staarten
afgeknipt (omdat ze anders in elkaars staarten bijten door verveling en stress). Na 2,5 à
3 weken* worden de biggen bij hun moeder weggehaald, terwijl dat eigenlijk pas na zeven
weken verantwoord is. Omdat ze zo snel mogelijk vlees moeten produceren worden ze
volgestopt met krachtvoer en krijgen ze zo min mogelijk beweging, zodat ze na zes
maanden al meer dan 100 kilo wegen. Dat gewicht in combinatie met het gebrek aan beweging
maakt dat de meeste varkens tegen die tijd allerlei gebreken aan hun poten hebben. Omdat
er zoveel dieren op elkaar gepakt zijn, is er altijd het gevaar voor besmettelijke ziekten. Net als veel andere dieren in de bio-industrie krijgen varkens veel medicijnen door hun voer om ziekten te weren. Soms breekt er toch een ziekte uit zoals varkenspest of blaasjesziekte en dan moeten de varkens massaal worden afgemaakt'.
Kippen - haantjes
'De helft van alle kuikens van legkippen wordt direct na de geboorte gedood. Het zijn de
haantjes, die geen enkel economisch nut hebben. De haantjes worden niet meer tot
vleeskuikens opgefokt omdat daarvoor speciale vleeskippen zijn ontwikkeld. Ze verdwijnen
daarom in een grote zak met koolzuurgas of in een versnipperaar. Het gaat hier om 40
miljoen haantjes per jaar'.
Hennen
'Het treurige lot van een hen in een legbatterij is even bekend als gruwelijk. Wie een
schuur met legbatterijen binnenstapt, ziet eindeloze rijen kooien, soms met zes
verdiepingen boven elkaar. In één schuur 'leven' tienduizenden kippen. Met TL-verlichting
wordt 's winters kunstmatig de dag verlengd, omdat de hennen anders van de leg raken.
Dit licht heeft op de kippen het effect van 'black light', een permanente disco dus.
Met haar vijven zitten de hennen in een kleine kooi, waarbij ze per kip ongeveer de
ruimte hebben van een velletje A4. De batterijkip kan op geen enkele manier haar
natuurlijke gedrag vertonen. Er is geen strooisel waarin ze kan scharrelen of een
stofbad kan nemen. Een legnest om in alle rust een ei te leggen is er niet, een zitstok
om op te slapen ontbreekt. Ze kan niet eens opstaan en haar vleugels uitslaan.
'De poten raken verminkt door het zitten op gaas. De snavel wordt (al bij het kuiken)
afgeknipt of afgebrand, omdat ze elkaar anders ten gevolge van de stress-situatie bloedig
verwonden. Dit is een zeer pijnlijke ingreep omdat in de snavel juist veel zenuwen zitten'.**
Alle kippen die in de legbatterij worden gestopt, moeten er ook weer uit. Als ze
ongeveer anderhalf jaar eieren hebben gelegd, komen de 'uithaalploegen', die op stukbasis,
dus per kip, betaald worden. 'Voorbeeld: twaalf personen halen in ca. 3 uur tijd ongeveer
15.000 kippen uit de kooien. In die drie uren worden deze kippen, met een restwaarde van
meestal niet meer dan een gulden per stuk, uit de legkooien gerukt, in kratten gepropt en
vervolgens naar de slachterij vervoerd. Het gevolg is dat de dieren van vleugels en poten
breken en huisbeschadigingen en andere kneuzingen oplopen alvorens gedood te worden'.
Kalveren
Nog maar heel kort geleden was het toegestaan stierkalfjes, gescheiden van elkaar, vet
te mesten in een soort kist zonder deksel. Deze kist was hoogstens 80 cm breed en 180 cm
lang. Zo werden in Nederland ruim 800.000 kalveren tot eenzame opsluiting veroordeeld.
Tegen de tijd dat de dieren hun slachtgewicht hadden bereikt konden ze amper meer gaan
liggen, klem als ze stonden tussen de schotten van hun hok. Onderling contact was niet
mogelijk. Het feit dat kalveren kuddedieren zijn werd volkomen genegeerd. Het enige dat
de dieren te doen hadden was het 2 x per dag slobberen van een emmer kunstmelk. Dit dieet
veroorzaakte kunstmatige bloedarmoede, zodat hun vlees 'blank' bleef. Na zes maanden
wachtte de zieke dieren het slachthuis. Deze manier van kalveren mesten, die helaas een
Nederlandse 'vinden' was, is gelukkig sinds 1-1-2004 verboden. Groepshuisvesting is m.i.v.
deze datum verplicht en tevens dienst ruwvoer te worden verstrekt.
Bij deze voorbeelden willen wij het laten. Voor alle dieren die op bio-industriële
wijze gehouden worden geldt, mutatis mutandis, hetzelfde. Er komen steeds meer
diersoorten in deze 'industrie' terecht: struisvogels, konijnen, meervallen, patrijzen,
kalkoenen, fazanten, zalmen, kwartels, herten, palingen, eenden, forellen, ganzen, geiten.
Behalve dieren zijn ook mensen slachtoffer van de bio-industrie.
'De bio-industrie veroorzaakt net als veel andere industrieën grote milieuproblemen.
De enorme veestapel wordt gevoed met goedkoop veevoer uit de derde wereld en de
Verenigde Staten. Dat voer komt uiteindelijk als mest op de Nederlandse akkers terecht,
waardoor de kringloop verstoord wordt. Dáár raakt de grond uitgeput en híer zitten we met
een mestoverschot. En dan hebben we het nog niet eens over de schade die kunstmest en
bestrijdingsmiddelen aanrichten'.
Ook moet de vraag gesteld worden of de vele medicijnen die dieren in de bio-industrie
toegediend krijgen de gezondheid van de consumenten van hun vlees nadelig kunnen
beïnvloeden (resistentie!).
Problemen zijn er ook voor de boeren. Het overheidsbeleid heeft hen gedwongen steeds
meer en steeds efficiënter te produceren, ter wille van de export. Banken en fabrieken
van 'huisvestingssystemen' 'hielpen' de boeren daarbij. Nu zijn de grenzen van de groei
bereikt; we lazen in de kranten en zagen op de televisie de protesten van de boeren tegen
het mestbeleid, dat leiden moet tot inkrimping van de veestapel. Dat betekent dat veel,
vooral kleinere, bedrijven opgeheven zullen worden. Ze hadden het al heel moeilijk en de
suïcide onder deze kleinere veeboeren is een publiek geheim. Een vreselijke menselijke
tragedie, die eens te meer duidelijk maakt dat afschaffing van de bio-industrie en
terugkeer naar normaal boerenbedrijf óók in het belang van de veehouders is.
Boeren die de moed en de mogelijkheden hadden op scharrel- of biologische systemen over
te gaan, moeten het weliswaar soms ook opgeven omdat ze te weinig afzet hebben. Voor
eieren geldt dit niet: scharreleieren zijn overal volop te koop. Maar voor
scharrel-varkenslees bijvoorbeeld zijn de verkoopplaatsen tot nu toe té weinig in
aantal en daardoor te ver weg. Het biologische varkensvlees is voor de meeste consumenten
veel te duur.
De consument speelt dus een belangrijke rol, maar de overheid ook. De door de overheid
in 2004 gestarte campagne om op een honderd procent biologische landbouw over te gaan
leek een reden tot grote vreugde: terugkeer naar het normale boerenbedrijf! Maar de
ervaring heeft al geleerd dat het biologisch vlees nooit in staat zal zijn het
bio-industrie-vlees te verdringen. Scharrelvlees zou dat wél kunnen, als er maar meer
winkels waren die het zouden willen verkopen! Het zou goed zijn als consumenten zélf in
hun supermarkt zouden vragen naar scharrelvlees. Wat betreft de varkens: het enige
verschil tussen scharrel- en biologische varkens is, dat de laatste biologisch voer
krijgen toegediend. Geen meerwaarde in welzijn dus, maar wél een fors hogere prijs!
Werkgroep Kerk en Dier wil iedere christen die vlees gebruikt aansporen zoveel mogelijk
scharrelproducten, en als dat niet mogelijk is biologische producten te kopen. Misschien
moeten velen wegens de hogere prijs hun vleesconsumptie beperken. Dat zal hun gezondheid
niet schaden; er zijn genoeg gezonde alternatieven.
Slachting van dieren
In het algemeen geldt vanzelfsprekend dat als men dieren doodt, dit zo snel en pijnloos
mogelijk dient te gebeuren. Kerk en Dier wenst daarom strengere controle in slachthuizen
(waar nogal eens iets mis gaat). Ook worden er bij bepaalde diersoorten
bedwelmings-/dodingsmethoden toegepast waarvan reeds lang is vastgesteld dat deze veel
leed veroorzaken bij de te slachten dieren. Betere en efficiëntere methoden worden in die
gevallen vaak niet ingevoerd vanwege de kosten die dat met zich zou meebrengen.
Ook vraagt Kerk en Dier zich af of het onverdoofd doden van dieren door de keel door te
snijfden (ritueel slachten) niet verboden zou kunnen worden. Noch de joodse, noch de
islamitische wet verbiedt namelijk verdoving van ritueel te slachten dieren. Dit is wat
de Mozaïsche wet betreft al in 1913 aangetoond door Rabbijn L. Stein, terwijl op 25
februari 1982 de op religieus gebied toonaangevende Al Azhar Universiteit in Caïro de
uitspraak heeft gedaan dat onbedwelmd slachten van dieren als ritueel offer absoluut
niet dwingend is voorgeschreven (laat staan dus het onbedwelmd slachten als offer maar
voor de dagelijks consumptie!). Een gesprek tussen joden, moslims en christenen, in
synagoge, moskee en kerk, moet daarom o.i. mogelijk zijn.
* Het oorspronkelijke 'vier weken' hebben uit dit citaat vervangen
door '2,5 à 3 weken', aangezien dit de huidige situatie is.
** Er wordt naar alternatieven gezocht.